Skip to content

Ik schrijf, jij leest.

Ik schrijf. Op dit blog staan fragmenten uit mijn verhalen.

Voor wie graag leest: Geniet ervan!


Paul Boluijt heeft zijn basis voor het schrijven gelegd aan het Utrechtse Centrum voor de Kunsten.
Zijn stijl kan omschreven worden als warm en beeldend met een scherp randje.
Zijn voorliefde gaat uit naar het complexe leven van de eenvoudige mens die, op zoek naar het schitterende en onvergankelijke, eerst het hoofd moet bieden aan de gebrokenheid en eindigheid van het eigen bestaan.
Zowel Anna Maria als Vox Celestis vielen in de prijzen.
Hemelblauw beschouwt hij zelf als zijn beste werk tot nu toe.

Anna Maria

‘We verlangden unaniem aan de keukentafel van Anna Maria te kunnen zitten’ Juryrapport UCK 2005 (1ste prijs)

Terwijl Anna Maria in een pannetje roert begint ze te vertellen over haar leven van alledag, over Turijn; de plekken die ik wel interessant zal vinden, plaatsen die ik beter kan mijden. Ze tikt met een houten lepel tegen de rand van het pannetje, draait het vuur uit en mengt de saus door de pasta. Als ze mij de maaltijd voorzet gaat ze weer tegenover mij zitten, de handen onder haar kin gevouwen, haar bovenlichaam iets naar voren hellend, leunend op haar ellebogen. Ze vraagt honderduit; Hoe mijn eerste werkdag was, wanneer ik jarig ben, of ik broers of zussen heb, een vriendin misschien? Ik schud mijn hoofd vanwege een mond vol pasta. ‘No?’, veert ze verrast op. Het klinkt zelfs opgewekt. ‘Wel, misschien kom je haar hier tegen’, fantaseert ze met lichtjes in haar ogen. ‘Van blauwe met bruine ogen komen prachtige groene’, droomt ze hardop verder.

Vox Celestis

‘Een klassiek verhaal uit de beste calvinistische vertellerstraditie. Jan Siebelink moet het onmiddellijk lezen. De taal is monumentaal, de opbouw gelijkmatig, bovendien is het een geestig verhaal. En de ontknoping is wat ons betreft voor meerdere uitleg vatbaar.’  Jury Arnhems Boekenbal 2006 (eervolle vermelding)

Onze predikant had wanhopig geklonken. Niet een van de sollicitanten was gerechtigd bevonden het kerkorgel met handen en voeten te beroeren. Volgens hun geloofsbrieven, afkomstig van het conservatorium, waren ze stuk voor stuk een aanwinst voor de kerkmuziek en werden ze geprezen om hun begeesterende psalmvertolkingen. Dominee Ter Kuijle vond het echter ’orgelwerken naar het vlees’ waarin van alles de boventoon voerde, behalve de geest. Mijn vader ontbrak het aan elke vorm van scholing, maar niet aan een groot geloof. Hij bood zich als kandidaat aan.

Hemelblauw

Een kort verhaal over een ingrijpende ontwikkeling in een jong en onbevangen leven.

Er wordt op de deur geklopt. Hij zwaait open. Ik schrik en haal de pen uit mijn mond. Ik leg hem op mijn schrift terwijl ik de bittere smaak van plastic en inkt in mijn mond probeer weg te slikken.

Het is Meneer de Jong, het hoofd van de school. Onze juf legt haar krijtje neer. Ze veegt haar handen af aan haar blauwe jurk met witte bloemen en loopt rustig naar hem toe. Ze praten op de gang. Stemmen om mij heen beginnen sissen en te hijgen, tot de juf terugkomt.

Het is stil. Ze staat voor het bord, vouwt haar handen en kijkt ons aan. Ze begint te spreken. Haar waterige ogen zoeken die van mij. Ik kijk snel weg, naar buiten; naar de blauwe lucht waarin een reuzenwolk drijft en zwaluwen zenuwachtig wentelen. De takken aan de treurwilg wuiven niet meer. De eendjes liggen aan de kant, de snavels in hun donsdek begraven.

De prooi

Een verhaal over de grillen van de natuur en de gevolgen voor twee ‘upper dogs’ in een  kleine maar niet zo hechte gemeenschap.

Die middag na de wedstrijd stonden we in de tuin van Max. Op het  zwembad dreven dunne korstjes ijs. We maakten een weddenschap wie er het langst in kon blijven. Max won. Beter gezegd, we lieten hem winnen. We moedigden hem aan om zo lang mogelijk er in te blijven met de motivering dat het zo goed is voor de bloedsomloop, met name die van de edelen delen. We legden uit dat de Russen dit niet voor niets deden; dat al de dagelijkse dosis alcohol om een middel vraagt waardoor alles weer parmantig gaat staan. De idioot; zo dom als die kassajuf van een moeder. Toen hij lichtelijk blauw begon te kleuren besloten we hem naar boven te hijsen. We legden hem in bed en stopten hem, nadat hij amechtig begon te rillen, een kokendhete kruik toe en bliezen het partijtje af. Blij toe, want het werd door de samenzwerende bewolking boven ons al snel donker. We pakten onze fietsen en probeerden door er een flink tempo in te zetten warm te worden. In de wei schuilden de koeien bij elkaar. Hun ademwolken werden de bodem in gezogen. Levende omgekeerde schoorstenen in de schemer. We maakten de avond kort met maar een klein beetje whisky, tegen de kou.

De volgende morgen bleek het weer er niet beter op te zijn geworden; de takken aan de bomen hingen nog even zwaarmoedig als de dag ervoor. Er dwarrelde zelfs her en der een sneeuwvlok. Die zondag bleven we dan ook maar binnen. We staken de haard aan, zochten toevlucht tot onze oude verzameling stripboeken en voelden ons weer tien jaar. Om zes uur het journaal maar aangezet om de weersverwachtingen te zien. Dat beloofde weinig goeds, tenzij men graag begin september op natuurijs wilde staan. Het leek erg onwerkelijk. Elk Elfstedencomité zou in de benen zijn komen. Maar het was zo onwerkelijk dat werkelijk niemand aan schaatsen dacht, meer aan de ongemakkelijke gedachte dat die achterlijke dweil van een Al Gore dan toch waarheid had gesproken.

We pakten alvast onze tassen om de volgende ochtend zonder veel tijd te verliezen richting Leiden te kunnen vertrekken. Dag ouwe, je tweeling vliegt uit. We komen enkel en alleen nog terug om onze hand op te houden.

Appeltaart

Over loslaten en het durven verbreken van vaste patronen ook al snijdt dit in het eigen vlees.

Als ze met de thee en koffie binnenkomt ziet ze Karel en Tanja voor het aquarium staan.

‘Dat is een anemoonvis, de amphiprion ocellaris’ wijst Karel,‘De enige soort die bestand is tegen de stekels van de zeeanemoon.’

‘Ach Karel, val haar toch niet lastig met die vissen van je.’

‘geen probleem hoor mevrouw Meijer; ik heb er zelf om gevraagd. Ik vind ze fascinerend.’

Fascinerend? Wat een aanstellerige opmerking.

‘Ik snap niet wat iemand daar nu fascinerend aan kan vinden.’

Ze snijdt een mooie punt uit de appeltaart voor Huub, haar jongen.

Dat zal hem in een beter humeur brengen.

‘Alsjeblieft Huub, een lekker stuk appeltaart voor jou.’

‘Nee dank je, ik wil niet.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Ik wil niet’

‘Je wilt niet?’

‘Nee, dank je.’

‘Maar hij is gewoon zoals altijd hoor.’

‘Dat weet ik, maar ik wil niet.’

Ze hoort de stemmen bij het aquarium verstommen. Ze moet het nu vooral luchtig houden.

‘Grapjas. Mij houd je niet voor de gek.’

‘Maar ik wil echt niet.’

‘Je wilt dus echt niet?’

‘nee, echt niet.’

‘Waarom niet?’

‘Gewoon, ik wil niet.’

‘Thea, je hoort het. Die jongen wil niet.’

Dat kan Karel wel zeggen, maar anders is Huub altijd zo dol op haar appeltaart. En nu hij met zijn vriendin op bezoek is opeens niet meer.

Het is nu stil bij het aquarium. Ze hoort de klok tikken terwijl ze met de appelpunt in haar handen staat.

‘En anders ben jij altijd zo dol op zelfgebakken appeltaart?’

‘Ik ben op dieet.’

‘Op dieet? Jij?’

‘Ik moet een beetje afvallen,’ en hij wrijft over zijn buik.

‘Ach hoe kom je daar nu bij?’ Ze doet alsof ze moet lachen.

‘Ik verzin het niet.’

‘Maar je bent helemaal niet dik.’

‘Ik ben ook niet dik. Ik moet alleen wat afvallen.’

‘Nou, ik zou niet weten waarom.’

‘Mijn broeken zitten te strak.’

‘Ze zitten prima. Je hebt tenminste eindelijk een kont gekregen.’

‘Dus je geeft toe dat ik wat ben aangekomen.’

‘Ach, ik hou niet van dat sprietige. Dit staat je best.’

‘Prima, maar ik wil gewoon geen appeltaart, duidelijk?’

‘Sta ik daar nou al de hele ochtend voor in de keuken?’

‘Ik bedank je voor de moeite.’

Ze gelooft haar oren niet. Het klinkt niet eens gemeend. Hij doet het erom. Dit hoeft ze niet te pikken.

‘Ik eis dat je hem opeet. Hier, pak aan.’ Het gebaksbordje klettert op de glazen tafel.